Volg ons op social media!

De Europese Unie is een samenwerkingsverband tussen 28 Europese landen. Deze landen (lidstaten) hebben verschillende instellingen opgericht die delen van de taken van de nationale regeringen overgenomen hebben. In het kort hebben deze instellingen de volgende functies.

De Europese Raad neemt tweemaal per jaar beslissingen over het beleid dat de EU moet gaan volgen. De Europese Commissie doet aanbevelingen voor wet- en regelgeving. Het Europees Parlement debatteert over deze aanbevelingen en kan eventueel veranderingen aanbrengen. Uiteindelijk moeten het Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk de nieuwe wet of regels goedkeuren. De ­Europese Commissie controleert of de lidstaten zich aan de Europese regels houden1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie ten slotte oordeelt of Europese wet- en regelgeving in alle lidstaten hetzelfde wordt toegepast. Daarnaast behandelt het Hof conflicten tussen nationale regeringen, bedrijven of particulieren en de Europese Instellingen2, 3.

Afspraken tussen de lidstaten en de doelen van de Europese Unie zijn vastgelegd in verdragen, die verschillende malen zijn aangepast. In deze verdragen staat ook wat de bevoegdheden van de Europese Instellingen zijn. Om te beslissen of regels door de EU of door de lidstaten zelf worden bepaald, gelden er 3 principes: subsidiariteit, proportionaliteit en het attributiebeginsel. Subsidiariteit betekent dat beslissingen zo dicht mogelijk bij de burger gemaakt moeten worden. Dat houdt in dat beslissingen alleen op Europees niveau gemaakt mogen worden als dit op lokaal, provinciaal of nationaal niveau niet of minder goed kan. Proportionaliteit betekent dat een Europese wet of regel niet verder mag gaan dan nodig is om het doel te bereiken. Het attributiebeginsel ten slotte stelt dat de EU alleen regels mag maken op grond van bevoegdheden die door de lidstaten zijn toegekend4, 5.

Het idee om een samenwerkingsverband op te richten tussen Europese landen, is kort na de Tweede Wereldoorlog ontstaan . Een hechte samenwerking zou de garantie moeten zijn voor langdurige vrede in Europa. In eerste instantie werden met zes landen (België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland) afspraken gemaakt over de handel in kolen en staal. Vanaf 1958 kwamen hier afspraken bij over atoomenergie (Euratom) en onder andere transport en landbouw (Europese Economische Gemeenschap). Op deze manier werd de eerste aanzet gegeven tot de vorming van een Gemeenschappelijke Markt6, 7, 8.

De eerste samenwerking bleek zo succesvol, dat gedurende de jaren ‘60 en ‘70 uitbreidingen plaatsvonden. Daarom voegden Ierland, Groot Brittannië, Denemarken,  Spanje, Portugal en Griekenland zich bij de Europese Gemeenschappen, zoals de EU toentertijd genoemd werd9. Ook werd de organisatie van het samenwerkingsverband veranderd. Alle afspraken op Europees niveau werden voortaan behartigd door één Commissie en besproken door één Raad van Ministers. Bovendien konden burgers nu stemmen over deze afspraken, door middel van het Europees Parlement10.

Na de crisis in de jaren ’80 en de val van de Berlijnse Muur kwam de Europese integratie in een stroomversnelling. Zo werden nieuwe beleidsterreinen toegevoegd aan het takenpakket van de Europese instellingen, zoals milieu, buitenlands beleid, binnenlandse zaken, justitie en veiligheid. Met het Verdrag van Maastricht uit 1992 werd de Europese Unie opgericht. Bovendien werd een begin gemaakt met de oprichting van de Economische en Monetaire Unie, die in 1999 werd gerealiseerd met de introductie van de Euro. Ten slotte werd de Gemeenschappelijke Markt in 1993 voltooid met de invoering van vrij verkeer van personen, kapitaal, goederen en diensten in alle lidstaten van de EU11, 12, 13.

In 2004 stelde de Europese Raad voor de verdragen te vervangen door een Europese Grondwet. Nadat de grondwet verworpen was in referenda in Frankrijk en Nederland, werd besloten geheel af te zien van de grondwet14. In plaats daarvan werd in 2007 het Verdrag van Lissabon ondertekend. De belangrijkste veranderingen die met dit verdrag tot stand gekomen zijn, zijn meer nadruk op klimaatverandering en energie en buitenlands beleid en defensie. Ook was het democratischer maken van de EU een belangrijk doel. Om dit te bereiken heeft onder andere het Europees Parlement meer zeggenschap gekregen en is het Burgerinitiatief ingevoerd15.

De afgelopen jaren heeft de EU een grote uitbreiding van lidstaten gekend. Op dit moment zijn er 28 leden, met Kroatië, dat toetrad op 1 juli 2013, als nieuwste lid. Servië, Macedonië, Kosovo, Bosnië-Herzegovina, Albanië, Turkije, Montenegro en IJsland zijn (potentieel) kandidaat-lidstaten16.

dots

Voetnoten