Volg ons op social media!

Het subsidiariteitsbeginsel is één van de grondprincipes van de Europese Unie. Volgens dit principe moeten alle activiteiten van de EU subsidiair zijn. Dit houdt niets minder in dan dat alle besluiten op de politieke schaal moeten worden genomen die het dichtst mogelijk bij de burger staat. Een besluit mag dus alleen op Europees niveau genomen worden, als dit beter is (lees: een belangrijk voordeel oplevert) dan het nemen van een soortgelijk besluit op landelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau.

Op welk niveau een taak moet worden uitgevoerd is deels afhankelijk van logica, en deels van politieke interpretatie. Feit is dat voor ieder Europees wetgevingsbesluit moet worden aangegeven waarom de maatregel op Europees niveau moet worden genomen (de subsidiariteitstoets). Hiermee dient te worden voorkomen dat er onterechte ‘bemoeienis’ vanuit Brussel ontstaat.

Uiteindelijk zijn er echter maar weinig besluiten die op basis van subsidiariteit worden afgeketst. Het is overigens aan de nationale lidstaten (in het geval van Nederland: de regering) om op te letten of ze het eens zijn met de Europese voorstellen en hun bijbehorende subsidiariteitstoets. Dit gebeurt door het trekken van een gele kaart. Hierbij kan samenwerken met andere lidstaten handig zijn, want als een derde van alle nationale parlementen een gele kaart getrokken heeft, moet de Commissie haar voorstel opnieuw motiveren.

Onze regering wil in dit opzicht nog wel eens liggen slapen, waardoor Nederland uiteindelijk weinig invloed uitoefent in het bijsturen van Europese regelgeving. De volgende keer dat een minister begint te klagen over ongewenste bemoeienis van Brussel mag hij dus ook gerust eens op zijn eigen alertheid gewezen worden.